Klikzink
Een schilddak heeft geen twee vlakken maar vier, en die vlakken lopen naar elkaar toe over hoekkepers. Dat is precies het punt waarop deze vraag op een schilddak anders uitpakt dan op een zadeldak of een lessenaarsdak. Bij een felsbaan telt de lengte van de baan mee als opwekkend oppervlak: hoe langer de volle, onderbroken lijn van goot tot nok, hoe meer geïntegreerde cellen er in die baan passen. Op een schilddak eindigt bijna elke baan op een andere lengte, omdat de kepers het vlak schuin afsnijden. De baan naast de hoek is korter dan de baan in het midden van het vlak, en de baan daarnaast weer korter dan die.
Dat verschil in lengte is op een zadeldak of een eenvoudig lessenaarsdak nauwelijks een probleem, want daar loopt de meerderheid van de banen even lang door tot aan de nok. Op een schilddak is die situatie de uitzondering. Vier vlakken van gelijke grootte met een rechte nok erboven komen voor, maar vaker zie je een hoofdvolume met aan een of twee zijden een aangekapt schild, of een dak waarvan de vlakken door dakkapellen, een schoorsteen of een dakraam extra worden onderbroken. Elke onderbreking snijdt weer een paar volle banen kort.
Het gaat niet om de sier. Een felsbaan met geïntegreerde cellen wekt op over de lengte die vrij is van hoekkeper, gootrand, dakraam en doorvoer. Kort die lengte in, en je knijpt het opwekkend deel van precies die baan uit, ook als de rest van het dakvlak er goed bij ligt. Op een rechthoekig zadeldak van tien meter breed reken je met een handvol lengtematen. Op een schilddak van gelijke oppervlakte reken je met net zoveel maten als er banen liggen, want geen twee zijn gelijk. Dat is meer rekenwerk op tekening, en het resultaat is vaker een lager percentage van het dakvlak dat daadwerkelijk stroom levert, vergeleken met een dakvlak zonder kepers van dezelfde oppervlakte.
Daar komt bij dat de vier vlakken van een schilddak zelden alle vier goed liggen op de zon. Twee vlakken kunnen zuidoost en zuidwest georiënteerd zijn en dus goed presteren, terwijl het noordvlak weinig oplevert, ongeacht of daar een felsbaan of een gewoon paneel ligt. Wie dat per gevel wil uitsplitsen, vindt de overwegingen per richting terug bij de pagina's over het zuiden, het noorden en oost-west; op een schilddak spelen ze vaak alle drie gelijktijdig, één per vlak.
Als het dak van dit huis pakweg tien jaar oud is en er geen enkele reden is om het te vervangen, dan is een paneel op beugels op een schilddak vaker de nuchtere keuze dan een nieuwe felsbaan met cellen erin. De reden is dezelfde als op elk ander dak: de geïntegreerde felsbaan is duurder per wattpiek, en dat verschil betaalt zich alleen uit als je toch al een nieuw dak neerlegt, bij nieuwbouw of bij vervanging na afgeschreven levensduur. Op een bestaand, goed dak leg je een paneel eenvoudigweg boven op de bestaande bedekking, en dat paneel trekt zich niets aan van hoekkepers: het ligt op een montageframe en de rijen worden ingedeeld op het beschikbare rechthoekige oppervlak binnen elk vlak, niet op de aflopende baanlengte.
Op een schilddak is dat voordeel van het paneel op beugels vaak groter dan op een zadeldak, precies omdat de kepers daar de opwekking van de felsbaan het hardst beperken terwijl ze voor een paneelveld nauwelijks een rol spelen. Een installateur kan op elk van de vier vlakken los een rechthoekig veld uitzetten en de restruimte langs de rand laten liggen, zonder dat de vorm van dat restdeel ergens toe doet. Bij een felsbaan hoort elke baan mee te doen aan het aanzicht van het hele dakvlak, en een baan die door een keper na twee meter al stopt, is duur voor wat hij nog oplevert.
De uitzondering is nieuwbouw of complete vervanging, en dan telt de vorm van het dak minder dan je zou denken. Als het dak toch nieuw wordt belegd, betaal je voor de felsbaan sowieso, met of zonder cellen erin. De vraag wordt dan niet meer of je een nieuw dak plus losse panelen wilt, maar of je in de banen die wél lang genoeg zijn de cellen laat meelopen. Op een schilddak kan dat heel goed uitpakken voor de twee grootste, meest zongerichte vlakken, terwijl je het noordvlak of de kleine schilden zonder cellen uitvoert, in dezelfde matte kleur en op dezelfde fels, zodat het dak van de grond af als één geheel blijft ogen.
Dat mengen van banen met en zonder cellen binnen hetzelfde dakvlak is precies waar de geïntegreerde felsbaan zich onderscheidt van een paneel op beugels: er ontstaat geen tweede laag boven het dak en geen schaduwrand rond een paneelveld, ook niet op een vlak waar de baanlengte wisselt. Wie dat wil vergelijken met de andere manier om panelen zonder opstaand kader te plaatsen, vindt de afweging tegenover indak-panelen op de betreffende pagina; die vergelijking gaat over het aanzicht en de bevestiging, niet over de vorm van het dakvlak.
Omdat elke baan op een schilddak een andere lengte heeft, is een algemeen antwoord voor dit dak niet te geven zonder de tekening erbij te leggen. Wij zetten de kepers, de dakramen en de schoorsteen uit op de bestaande of geplande maatvoering, tellen per vlak hoeveel volle baanlengte er overblijft en rekenen uit welk deel daarvan met cellen kan worden uitgevoerd zonder dat de aansluiting op de hoekkeper of de nok een probleem wordt, zoals ook geldt voor de aansluiting op de nok elders op het dak. Daaruit volgt of een volledig geïntegreerde uitvoering, een gedeeltelijke uitvoering op de beste twee vlakken, of gewoon een paneel op beugels de nuchtere keuze is voor dit specifieke dak. Een tekening opsturen naar Klikzink, Boylestraat 22 in Ede, en die doorrekening kost niets.