Klikzink
Een lessenaarsdak heeft één vlak en één richting. Water loopt van de hoge rand naar de lage rand, er is geen nok, geen tegenoverliggend vlak en geen ontmoeting van twee hellingen die om een oplossing vraagt. Dat maakt dit dakvlak in veel opzichten het eenvoudigste geval van alle dakvormen waar we felsbanen met geïntegreerde zonnecellen op leggen. Juist daarom is het de moeite waard om precies te benoemen waar het waterdicht houden dan wel om draait, want eenvoudig is niet hetzelfde als vanzelfsprekend.
Bij een paneel op beugels loopt het water over het dakvlak en vervolgens over en langs de bevestigingspunten waarmee het paneel aan het dak vastzit. Elk van die punten is een doorboring van het dakvlak, afgedicht met een kraag, een pot of een rubber, en elke afdichting is een onderdeel dat na jaren kan verharden, krimpen of loslaten. Bij de felsbaan met zonnecellen is dat probleem er niet. De cellen liggen in het vlak van de baan zelf, de bevestiging gebeurt met klemmen onder de fels, en er gaat geen schroef door het stalen oppervlak. Het dakvlak van een lessenaarsdak blijft daardoor een gesloten vlak van nok, als die er al is aan de bovenzijde, tot goot. Er is geen tweede laag bovenop die apart afgedicht moet worden.
Toch verschuift de aandacht niet naar nul. Ze verschuift naar drie andere plekken: de doorvoer van de bekabeling, de aansluiting aan de bovenrand van het dakvlak, en de overgang tussen een baan met cellen en een baan zonder cellen ernaast.
Op een lessenaarsdak zonder cellen is er meestal geen enkele doorvoer nodig; het dak is dan puur een dak. Zodra er stroom uit het vlak komt, moet die stroom er ook uit. Dat gebeurt op een beperkt aantal vaste punten waar de kabel van de cel naar de binnenzijde gaat, doorgaans bij de laagste rand van het vlak, dicht bij de goot, waar de doorvoer het minst zichtbaar is en het makkelijkst bij de installatie kan. Dat punt wordt vooraf ingetekend, niet achteraf geprikt. Bij een lessenaarsdak met een enkel lang aflopend vlak betekent dat: één lijn met doorvoeren, allemaal op dezelfde hoogte, allemaal volgens dezelfde detaillering. Vergelijk dat met een paneel op beugels, waar elke steun een eigen doorboring is, verspreid over het hele vlak. Op een dakvlak van bijvoorbeeld tien meter lang kom je dan aan tientallen doorboringen; bij de geïntegreerde baan blijft het bij een handvol doorvoeren op een vaste lijn. Minder doorvoeren betekent minder plekken die na verloop van tijd nagelopen moeten worden, en een voorman op de bouw die precies weet waar hij straks moet kijken bij onderhoud.
Een lessenaarsdak heeft geen nok, maar wel een bovenrand: de plek waar het dakvlak aansluit op een opgaande gevel, een hogere bouwlaag of een dakrand die het vlak afsluit. Bij een zadeldak is de nok het punt waar twee vlakken elkaar ontmoeten en waar de banen aan beide zijden op elkaar moeten aansluiten. Bij het lessenaarsdak is die ontmoeting er niet; in plaats daarvan sluit de bovenste baan aan op een muurwerk of een aansluitdetail met een opstaande rand. Dat is een eenvoudiger detail dan een nok, maar het moet wel goed zitten, want hier komt het meeste water van het hele dakvlak samen voordat het naar de goot loopt. De felsbaan zelf verandert daar niets aan; het is de aansluiting op het metselwerk of de gevelbekleding die de aandacht vraagt, met een goede overlap en een deugdelijke loodslabbe of aansluitprofiel. Dat is standaard dakwerk, en de aanwezigheid van zonnecellen in de baan maakt dat detail niet anders. Het enige verschil met een dak zonder cellen is dat de bovenste rij, als daar nog cellen in liggen, ook een kabeldoorvoer kan hebben, en die moet dan wél mee worden opgenomen in het aansluitdetail zodat er geen twee aandachtspunten naast elkaar liggen.
Op veel daken wordt niet elke baan gevuld met cellen. Rond een schoorsteen, een dakraam of een randstrook kiest men vaak voor een gewone felsbaan zonder cellen, in dezelfde kleur en op dezelfde lijn, zodat het dakvlak optisch één geheel blijft. Dat is precies waar de tweede aandachtsplek zit: de naad tussen een baan met cellen en een baan zonder. Beide banen hebben dezelfde fels van 35 mm haaks en worden op dezelfde manier blind bevestigd met klemmen, dus mechanisch verandert er niets aan de felsverbinding zelf. Wat wel aandacht vraagt, is de kabel die vanaf de cel naar de rand van de baan loopt en daar de felsnaad kruist. Die overgang wordt in de fabriek al meegenomen in de plaatindeling, zodat de kabel niet dwars over een naad heen hoeft, maar volgens een vast patroon wordt weggewerkt. Op een lessenaarsdak met een lange, doorlopende richting is dat eenvoudiger te plannen dan op een dak met meerdere vlakken en hoeken, omdat de banen hier van boven naar onder in één rechte lijn doorlopen en er geen kepers of schuine randen zijn die de indeling verstoren.
De eenvoud van het lessenaarsdak werkt in het voordeel van het waterdicht houden. Eén vlak, één richting en geen nok betekenen minder ontmoetingspunten, minder verschillende details en dus minder plekken waar dingen mis kunnen gaan. De lengte van de banen kan in veel gevallen doorlopen van bovenrand tot goot, zonder een overlap halverwege het vlak, wat weer een naad minder is om in de gaten te houden. Bij een zadeldak of een schilddak moet je bij elke helling, elke nok en elke hoek een apart detail bedenken; bij het lessenaarsdak is er vaak maar één helling en één rand om serieus over na te denken.
De eenvoud van dit dak geldt zolang de helling voldoende is om water snel en zonder stagnatie af te voeren. Bij een steil lessenaarsdak is dat geen probleem: het water heeft haast en de fels van 35 mm biedt ruim voldoende opstand. Wordt de helling flauw, dan verandert de vraag. Bij weinig verval blijft water langer op het vlak staan, ook bij windstil weer, en dan gaat de aandacht juist naar de overlap bij de doorvoeren en naar de opstaande fels zelf, die bij een flauwe helling minder vanzelfsprekend voldoende is. Dat is een ander vraagstuk dan hier behandeld wordt; wie een lessenaarsdak met een flauwe helling overweegt, leest daarom beter de pagina die specifiek over die situatie gaat.
Een lessenaarsdak is qua vorm een van de eenvoudigste daken om waterdicht te houden met deze felsbanen, juist omdat er geen nok is en de richting van het water overal dezelfde is. De aandacht gaat naar de doorvoer van de kabels, naar de aansluiting aan de bovenrand en naar de overgang tussen een baan met en zonder cellen. Geen van die drie is een probleem dat om een uitzondering vraagt; het zijn punten die vooraf op tekening worden ingetekend en in de fabriek al in de plaatindeling worden meegenomen. Wil je weten hoe dat er voor jouw dakvlak concreet uitziet, met de precieze indeling van banen en doorvoeren, dan rekenen we dat door op basis van de tekening van het gebouw.