Klikzink
Een zonnedakpan is in de kern een gewone dakpan met een zonnecel erop of erin verwerkt. Er liggen er honderden op een dak, elk met zijn eigen rand, zijn eigen overlap met de buren, en bij de actieve pannen een eigen kabeltje dat ergens naar binnen of naar een volgende pan moet. Dat is precies waar het verschil begint met een felsbaan waarin de cellen zijn opgenomen: daar loopt de waterkering niet van pan naar pan, maar in doorlopende stalen banen van nok tot goot, met één type verbinding tussen de banen die er al eeuwenlang op zit, met of zonder cellen.
Bij pannen is elke overlap een plek waar water zich kan opstuwen als er iets misgaat: een verschoven pan door wind, een haakje dat niet goed pakt, vuil dat zich ophoopt onder de overlap. Bij een aantal actieve pannen komt daar een doorvoer bij voor de bekabeling, en die doorvoer is per definitie een onderbreking van het dakvlak. Hoe meer pannen actief zijn, hoe meer van die onderbrekingen er op het dak liggen. Bij een felsbaan met cellen zijn het niet honderden kleine eenheden maar een beperkt aantal doorlopende banen; de bekabeling komt bij elke baan op dezelfde plek samen en gaat op een beperkt aantal punten naar binnen, zoals wij uitleggen bij [waar het water langs moet tussen felsbaan en paneel op beugel](/dakstroom/waterdicht/tegenover-panelen-op-beugels). Minder aansluitingen betekent niet dat er niets kan gebeuren, het betekent dat er minder plekken zijn waar het kan gebeuren.
Het zwakke punt bij een felsbaan met cellen ligt niet in het vlak zelf, maar op drie plekken: de doorvoer van de kabel, de aansluiting aan de nok en de overgang van een baan met cellen naar een baan zonder cellen. De doorvoer is de plek waar de kabel het gesloten stalen vlak verlaat; dat gebeurt met een gedichte doorvoer op een vaste plek, niet verspreid over het dak zoals bij losse actieve pannen waar elke pan zijn eigen doorvoer kan hebben. Aan de nok komt de bovenkant van de baan samen met de nokafwerking, en dat is bij elk stalen dak al de plek waar de aandacht naar toe moet, met of zonder cellen. En de overgang tussen een baan met cellen en een gewone baan is in feite geen overgang: het is dezelfde fels, dezelfde klemverbinding, alleen verandert het vlak van kleur en functie. Er zit geen aparte kit- of rubberrand tussen de twee, want het is één en dezelfde felsverbinding die al het hele dak vasthoudt.
Dat scheelt met een pannendak, waar de rand van een actieve pan tussen twee inactieve pannen wél een aparte overgang is, met een eigen randafwerking die goed moet blijven zitten. Op een dak met honderden pannen is de kans dat één rand op termijn iets beweegt nooit nul, en elke pan is in principe een eigen kleine constructie die apart bevestigd is, apart kan verzakken en apart nagekeken moet worden. Een felsbaan is van nok tot goot in feite één stuk staal per baan; er is geen tussenvoeg die apart kan gaan zitten omdat de hele lengte in één werkgang gelegd en geklemd is.
Waar zonnedakpannen wel iets voor hebben: het is een vertrouwd beeld voor wie een pannendak wil houden, met de pansprong en de schaduwwerking die bij pannen horen, en bij een reparatie vervang je in principe alleen de ene pan die kapot is, niet de hele baan. Bij een felsbaan met cellen ligt dat anders. Omdat de baan van nok tot goot doorloopt, betekent een beschadigde cel dat je in de praktijk met de hele baan te maken hebt, ook als het probleem maar op één plek zit. Dat is geen reden om aan de waterdichtheid te twijfelen, de rest van het dak blijft gewoon dicht, maar het is wel een ander soort ingreep dan het wisselen van één pan. Wie dat wisselen van een los onderdeel belangrijker vindt dan een strak doorlopend vlak, kiest niet verkeerd met pannen.
Een ander verschil zit in het aantal bevestigingspunten door het dakvlak. Bij pannen ligt de bevestiging meestal in de pan zelf of in de panlat eronder, en dat is met pannen al zo sinds er pannen bestaan, actief of niet. Bij een felsbaan met cellen gaat er geen schroef of beugel door het stalen vlak; de klemmen zitten onder de fels, blind, en houden de baan en de cel in één beweging vast. Dat is geen verschil met zonnedakpannen op het punt van doorboringen, want daar zit het probleem niet. Het verschil zit in het aantal losse eenheden: één felsbaan van pakweg vier meter lang doet het werk waar bij pannen tientallen kleine eenheden voor nodig zijn, en elk van die eenheden is een plek waar in theorie iets kan verschuiven.
Of dat in de praktijk ook merkbaar wordt, hangt af van het dak. Op een eenvoudig zadeldak zonder inhammen valt het verschil in aantal aansluitingen minder op dan op een dak met dakkapellen, schoorstenen of een knik in het vlak. Hoe meer van die onderbrekingen er zijn, hoe meer randafwerkingen er nodig zijn, en bij pannen komt daar per onderbreking een setje aangepaste pannen bij die weer hun eigen overlap hebben. Bij een felsbaan wordt zo'n onderbreking opgelost met een strook zonder cellen om de doorvoer heen, dezelfde fels, dezelfde klem, alleen zonder opwekking op die paar banen. Het vlak blijft in het beeld één geheel, ook al wekt niet elke baan stroom op.
Wie een dak vervangt of nieuw bouwt en overweegt of het dak zelf stroom moet opwekken, doet er goed aan om beide opties naast elkaar op tekening te zetten, niet naast een gemiddelde uit een folder. Het aantal vlakken, de aanwezigheid van dakkapellen of schoorstenen en de lengte van de banen bepalen hoeveel aansluitingen er nodig zijn, en dat verschilt per dak te veel om in een algemeen getal te vangen. Bij Klikzink, Boylestraat 22 in Ede, wordt dat op tekening doorgerekend, zonder kosten voor dat meedenken, zodat je ziet hoeveel doorvoeren, nokaansluitingen en overgangen er op jouw dak precies nodig zijn, bij een felsbaan met cellen net zo goed als bij het alternatief.