Klikzink

Onderhoud van solarfels op een schilddak

Een schilddak heeft vier schuine vlakken die elkaar ontmoeten in hoekkepers. Geen vlak is hetzelfde: het voorvlak en het achtervlak zijn meestal groter dan de twee zijschilden, en op de kepers lopen de banen schuin af. Dat is meteen de eerste vraag die bij onderhoud hoort. Niet hoe vaak je het dak nakijkt, maar welk deel van het dak je eigenlijk bekijkt, want vier vlakken op één woning kunnen vier verschillende antwoorden geven.

Bij een felsbaan met geïntegreerde cellen begint dat antwoord met iets dat er niet is. Er ligt geen frame op het dak, geen opstelling met een luchtspleet erachter waar blad en naalden in blijven liggen. De cellen liggen in het vlak van de baan, op dezelfde hoogte als het staal ernaast. Vuil dat op een schuin dakvlak valt, spoelt er in de meeste gevallen ook weer af, en dat geldt voor een schild net zo goed als voor een zadeldak. Waar het spannender wordt, is bij de kepers en de nok, want daar verandert de helling van het water en daar verzamelt zich net iets meer.

De hoekkeper als aandachtspunt

Op een schilddak lopen de vier vlakken samen in hoekkepers die van de nok naar de goot aflopen. Langs die lijn worden de banen op maat gezaagd, en dat betekent dat je op een schild bijna nooit een volledige rij identieke baanlengtes hebt zoals bij een zadeldak. Elke baan langs de keper is een fractie korter of langer dan zijn buurman. Voor de werking van het dak maakt dat niets uit, de felsverbinding en de klemmen onder de fels doen hun werk ongeacht de lengte, maar voor onderhoud is de keper wel de plek waar je als eerste kijkt. Daar komt namelijk het water van twee vlakken samen, en daar hoopt zich, net als bij een gewoon leien of pannendak, iets meer blad en gruis op dan midden op een vlak.

In de praktijk is dat geen dagelijkse klus. Eén of twee keer per jaar de kepers en de gootlijn nalopen, liefst na de bladval in het najaar, is voor een schilddak met solarfels voldoende. Je kijkt dan niet naar de cellen zelf, die liggen vlak en glad in het dakvlak en hebben geen randen waar iets achter blijft haken, maar naar de lijnen waar vuil zich kan verzamelen: de kepers, de goot en eventueel een inwendige hoek bij een dakkapel. Op een vlak schild zonder onderbrekingen is dat onderhoud vaak zelfs overbodig, en dat verschil tussen vlak en lijn is precies waarom we het bij andere liggingen apart uitwerken, zoals wij doen bij [het onderhoud op een zadeldak](/dakstroom/onderhoud/zadeldak).

Vier vlakken, vier oriëntaties

Wat een schilddak onderscheidt van een zadeldak is dat er niet twee maar vier hellingen zijn, en die kunnen op vier verschillende windrichtingen liggen. Een schild op het zuiden vervuilt anders dan een schild op het noorden, simpelweg omdat de zon het vlak droogt en zelfreinigend maakt, terwijl een noordvlak langer vochtig blijft en dus iets vaker mos of algengroei kan aanzetten op de rand met de dakrand of de goot. Wij hebben dat verschil per oriëntatie apart uitgewerkt, onder meer bij [het onderhoud op het noorden](/dakstroom/onderhoud/op-het-noorden), en dat is precies de reden dat je bij een schilddak eigenlijk vier keer diezelfde vraag stelt, één keer per vlak, in plaats van één keer voor het hele dak.

Dat viervoudige karakter is ook waarom we hier niet kunnen zeggen dat een schilddak per definitie meer of minder onderhoud vraagt dan een zadeldak. Het antwoord hangt af van hoe de vier vlakken op het kompas liggen. Een schild waarvan het grootste vlak op het zuiden ligt en de zijschilden op oost en west, heeft in de praktijk relatief weinig aandacht nodig: de zon houdt de grote vlakken droog en de zijvlakken zijn klein. Een schild waarvan een vlak vol op het noorden ligt, verdient op dat ene vlak iets meer aandacht dan de rest, vooral bij de gootlijn.

Wanneer de helling het antwoord omdraait

De helling van elk vlak apart is de tweede factor die meespeelt, en bij een schilddak kan die per vlak verschillen als de kap niet symmetrisch is uitgevoerd. Bij een steile helling, wat op een schild vaak het geval is bij de kortere zijschilden, spoelt vuil sneller af en is de kans op blijvende aanslag klein. Bij een flauwere helling, zoals soms bij het hoofdvlak van een breed schilddak, blijft vocht iets langer staan en is een jaarlijkse controle verstandiger dan alleen na bladval. Dat kantelpunt in helling werken we uitgebreider uit bij [het onderhoud op een flauwe helling](/dakstroom/onderhoud/flauwe-helling), en die redenering geldt op een schild net zo goed als op een enkelvoudig hellend vlak, alleen dan per schild apart in plaats van voor het hele dak.

Wat dat in de praktijk betekent voor een concreet gebouw: bij een vrijstaande woning met een schilddak van vier gelijke vlakken op ongeveer dertig graden helling volstaat doorgaans een jaarlijkse ronde langs de kepers en de gootlijnen, uitgevoerd tegelijk met het reinigen van de dakgoten. Er is geen los onderhoudsmoment nodig voor de opwekking, want die zit in het dakvlak zelf en vraagt niets anders dan het dak zelf al vraagt. Dat is een ander verhaal dan bij panelen die op een frame boven het dak staan, waar onder de opstelling ruimte overblijft waarin vuil zich juist wel verzamelt en waar je dus een aparte inspectieronde voor de panelen inricht naast de ronde voor het dak. Dat onderscheid met een paneelopstelling werken we breder uit bij [het onderhoud vergeleken met panelen op beugels](/dakstroom/onderhoud/tegenover-panelen-op-beugels).

Wanneer een schilddak zorg vraagt die niet in dit stramien past, is dat meestal bij een complexe kap met meerdere kepers die samenkomen, zoals bij een schild met een aangebouwde erker of een opgenomen dakkapel. Daar ontstaan inwendige hoeken waar drie of vier vlakken bij elkaar komen, en dat zijn de plekken waar je, net als bij elk ander dak met binnenhoeken, iets vaker kijkt dan op een vlak zonder onderbreking. Dat heeft niets met de cellen te maken en alles met de vorm van het dak; een pannendak met dezelfde kap zou op die plek evenveel aandacht vragen.

Wat een schilddak dus vraagt aan onderhoud is minder een vaste frequentie dan een blik op de tekening: waar liggen de kepers, welk vlak ligt op welke windrichting, en welk vlak heeft de flauwste helling. Voor het overgrote deel van het dakvlak, waar de banen ononderbroken doorlopen, is er weinig te doen buiten de gewone controle die elk hellend dak krijgt. Voor de lijnen waar vlakken samenkomen, is een jaarlijkse blik voldoende. Een opdrachtgever die twijfelt of dat voor zijn specifieke schilddak klopt, kan de kapvorm en de oriëntatie van elk vlak aan ons voorleggen; we rekenen dat na op tekening en zeggen er eerlijk bij als een vlak extra aandacht verdient.

Terug naar het overzicht

KKlikzink
Pagina'sSolarfels: felsplaten met de zonnecellen erinDiensten voor solarfels: van tekening tot dakOver ons: waarom wij de cellen in de baan zettenContact over solarfels op uw dakvlakDetailsHoe het werktSpecificatiesOpbrengstVergelijkenProjectenBlogPrivacyverklaring solarfels.com
Contact
Adres
© Klikzink