Klikzink
Een lessenaarsdak heeft geen nok en geen tweede helling. Het is één vlak dat van de hoge naar de lage zijde loopt, meestal in een rechte, doorlopende belegging. Voor een felsbaan met geïntegreerde zonnecellen is dat een gunstige vorm om over schoonmaken na te denken, want er is maar één richting waarin water en vuil kunnen bewegen en die richting is altijd omlaag.
De cellen liggen in het vlak van de baan, niet erboven op een montageframe. Er is dus geen ruimte onder de cellen waar blad, naaldenafval of mos kan blijven liggen, en er is geen rand of klemrand waar dat spul achter kan blijven haken. Op een lessenaarsdak versterkt de vorm dat effect nog. Omdat het dak in één richting afwatert, spoelt regen los vuil in de regel gewoon door naar de goot aan de lage zijde. Er is geen nokvorst waar wind vuil tegenaan kan blazen, en er is geen richtingsverandering in het vlak waar bladeren kunnen blijven liggen zoals bij een schilddak wel kan gebeuren, iets waar wij apart op ingaan bij [hoe je het schoonmaakt op een schilddak](/dakstroom/schoonmaken/schilddak).
De felsen zelf, 35 millimeter haaks opstaand, lopen mee in die richting. Ze vormen geen dwarsdrempel die vuil vasthoudt maar juist een geleider die evenwijdig aan de afwatering ligt. Op een zadeldak, waar de banen vanaf de nok naar twee kanten aflopen, speelt diezelfde logica, en daar leggen we uit hoe dat werkt bij [hoe je het schoonmaakt op een zadeldak](/dakstroom/schoonmaken/zadeldak). Op een lessenaarsdak is er alleen die ene helling, dus is er ook maar één scenario om rekening mee te houden in plaats van twee.
Stel een loods met een lessenaarsdak van pakweg twaalf meter diep, felsbanen in de volle lengte van nok tot goot, cellen verwerkt over het grootste deel van het vlak. Bij een normale bui spoelt het meeste stofdeeltjes en fijn vuil vanzelf mee naar de goot. Wat overblijft is meestal een dun laagje dat na een paar regenbuien vanzelf verdwijnt. Voor een dak in deze uitvoering is jaarlijks even kijken, en zo nodig een keer doorspoelen met de tuinslang vanaf de nokzijde, in de meeste gevallen voldoende.
Dat verandert zodra er bomen boven of naast het dak staan. Blad dat op het vlak valt, kan bij een lessenaarsdak nog vrij gemakkelijk wegwaaien of wegspoelen omdat er geen nok is die het tegenhoudt, maar bij een ondiepe helling of bij een dak dat aan de lage zijde tegen een gevel of overstek aanloopt, kan blad zich daar toch verzamelen. Dat is een ander mechanisme dan bij een dak met weinig helling in het algemeen, waar we apart bij stilstaan onder [hoe je het schoonmaakt op een flauwe helling](/dakstroom/schoonmaken/flauwe-helling). Bij een lessenaarsdak met voldoende helling, zeg boven de twintig graden, is dat risico klein. Bij een lessenaarsdak dat bewust flauw is uitgevoerd, bijvoorbeeld voor een strak silhouet, telt de helling zwaarder mee dan de vorm zonder nok.
De vorm van het dak bepaalt hoe vuil zich verplaatst, maar de oriëntatie bepaalt hoeveel vuil er ontstaat en hoe snel het weer verdwijnt. Een lessenaarsdak op het zuiden droogt na een bui sneller op, waardoor mos minder kans krijgt om vast te hechten, iets wat uitgebreider aan de orde komt bij [hoe je het schoonmaakt op het zuiden](/dakstroom/schoonmaken/op-het-zuiden). Een lessenaarsdak op het noorden blijft langer vochtig, en vocht dat blijft liggen is precies de omstandigheid waarin mos en algengroei toenemen, ook als de vorm van het dak zelf ideaal is om vuil af te voeren. De vorm zonder nok helpt dus wel, maar heft die oriëntatie niet op.
Hetzelfde geldt voor een lessenaarsdak dat naar het oosten of westen wijst, waar de zon er wel bij komt maar minder lang per dag, met een tussenpositie in droogtijd. Kortom, de vorm bepaalt de route die vuil aflegt, de oriëntatie bepaalt hoe lang het blijft liggen voordat het die route aflegt.
Op een lessenaarsdak met voldoende helling en zonder overhangend groen is de eerlijke conclusie dat structureel schoonmaken meestal niet nodig is. De combinatie van één rechte helling, geen nok en geen opstaande cellen boven het vlak zorgt ervoor dat het dak zichzelf grotendeels reinigt bij normale regenval. Dat is iets anders dan zeggen dat er nooit iets op ligt. Stof, pollen en fijn gruis van een naburige weg blijven soms een tijd zichtbaar zonder dat ze de werking beïnvloeden, want de cellen liggen vlak in het dakvlak en hebben geen rand waarachter een schaduwstrook kan ontstaan zoals bij een paneel op beugels. Dat verschil in vervuilingsgedrag ten opzichte van een opgebouwd systeem behandelen we apart bij [hoe je het schoonmaakt: tegenover panelen op beugels](/dakstroom/schoonmaken/tegenover-panelen-op-beugels).
Bij een lessenaarsdak dat is samengesteld uit meerdere korte baanlengtes met kopnaden, bijvoorbeeld bij een dakvlak dat breder is dan de rollengte toelaat, ontstaan er dwarsvoegen. Die voegen liggen haaks op de afwateringsrichting en kunnen, als ze niet goed zijn uitgevoerd, een plek zijn waar iets kleins blijft hangen. Op tekening kijken we daarom altijd of een dakvlak in één doorlopende lengte kan, want dat is op een lessenaarsdak vaak goed te realiseren doordat er geen nok in de weg zit.
Voor een lessenaarsdak in deze uitvoering komt onderhoud in de praktijk neer op een jaarlijkse visuele controle, het weghalen van eventueel achtergebleven blad bij de lage rand of bij aansluitingen op gevel of overstek, en bij aanhoudende schaduw of overhangend groen een keer per jaar doorspoelen. Voor een exacte inschatting per dakvlak, inclusief hellingshoek, oriëntatie en baanindeling, rekenen we het door op tekening.