Klikzink
Een stal heeft meestal al een meterkast staan, vaak in een technische ruimte naast de melkstal, de werktuigenberging of gewoon tegen de gevel van de loods. Die kast is aangelegd voor de vraag van het bedrijf: ventilatoren, verlichting, een melkrobot, een koeltank. Zodra het dak zelf stroom gaat leveren, komt daar een andere vraag bovenop, en die vraag stelt eisen aan wat er in die kast staat en wat er in de voeding naar die kast zit.
De felsbanen met zonnecellen leveren gelijkstroom. Die gaat eerst naar een omvormer, die er wisselstroom van maakt op de spanning van het net. Pas na de omvormer komt de stroom bij de meterkast aan. In de meterkast zelf moet dan een aansluitpunt zijn waar die omvormer op aangesloten kan worden, met een eigen zekering en meestal een aparte groep die niets anders doet dan die teruglevering verwerken. Bij een nieuwe stal is dat te plannen voordat de kast opgehangen wordt. Bij een bestaande stal is de vraag eerst of er nog ruimte in de kast is, letterlijk: genoeg vrije groepen, genoeg fysieke ruimte in de behuizing, en een hoofdaansluiting die de extra belasting aankan.
Bij een woonhuis met panelen op het dak is de vraag meestal simpel: past er een groep bij in de kast en is de hoofdzekering zwaar genoeg. Bij een stal ligt dat gecompliceerder, omdat de bestaande installatie vaak al zwaar belast is. Een melkveestal met een robot, een koeltank en ventilatie op vollast trekt al veel van de beschikbare capaciteit. Een varkensstal met klimaatregeling en voercomputers idem. Als het dakvlak groot is, en bij een stal is dat vaak het geval, kan de opwekking flink hoger liggen dan bij een woonhuis, en dan is de vraag niet alleen of de meterkast een extra groep heeft, maar of de aansluiting op het net zelf zwaar genoeg is om die stroom terug te leveren.
Daar komt de netbeheerder in beeld. Een aansluiting die volstaat voor het eigen verbruik van de stal is niet automatisch geschikt om stroom aan het net terug te leveren. Bij een bescheiden dakvlak valt dat vaak nog binnen de bestaande aansluitwaarde. Bij een groot staldak, zeg een vleeskuikenstal van veertig meter lang, is de opgewekte stroom vaak zo groot dat een zwaardere aansluiting nodig is, met een grotere hoofdzekering en soms een verzwaring van de kabel vanaf de erfgrens. Dat is geen keuze die bij het dak hoort, dat is een keuze die bij het net hoort, en die moet je vroeg in het traject uitzoeken, niet nadat het dak al ligt.
In de praktijk komt er in de meterkast een nieuwe groep bij voor de omvormer, met een eigen aardlekschakelaar en een zekering die past bij het vermogen van die omvormer. Bij een groter dakvlak met meerdere omvormers, of één omvormer met meerdere ingangen voor verschillende delen van het dak, moet de kast daar plek voor hebben. Bij een bestaande stal is dat vaak de reden dat er een aparte verdeelkast bijkomt naast de oorspronkelijke meterkast, specifiek voor de opwekking, met een eigen hoofdschakelaar zodat de installatie in één keer af te schakelen is als daar aanleiding voor is.
De kabel van het dak naar die kast is het andere deel van het verhaal. Bij een stal loopt die kabel meestal via een kabeldoorvoer in de gevel of de nok naar binnen, zoals ook beschreven bij [de kabeldoorvoer bij een stal](/dakstroom/stal/kabeldoorvoer), en van daar door de stal naar de meterkast of de nieuwe verdeelkast. Die route ligt vaak dwars door de ruimte waar dieren staan, boven een voergang of langs een wand met een hogedrukreiniger in de buurt. Dat is een andere omgeving dan een zolder of een spouwmuur bij een woonhuis, en de kabel en de wandcontacten die er onderweg zitten moeten daar tegen bestand zijn: stofdicht, vochtdicht, en bestand tegen de ammoniak die in de stallucht hangt. Een gewone installatiedoos die in een woonhuis prima is, corrodeert in een varkensstal binnen een paar jaar. Daarom wordt bij een stal standaard gekozen voor kunststof of roestvast omhulde onderdelen op het traject van dak naar meterkast, ook als dat traject maar een paar meter is.
Of de bestaande meterkast het aankan hangt dus af van drie dingen: is er nog een vrije groep, is de hoofdzekering zwaar genoeg voor de extra belasting, en staat de aansluiting op het net teruglevering van dit vermogen toe. Bij een klein dakvlak op een schuur naast de stal is het antwoord vaak gewoon ja, en is de aanpassing beperkt tot een nieuwe groep en een melding bij de netbeheerder. Bij een groot staldak waar het volledige dakvlak wordt uitgevoerd met zonnecellen in de felsbanen, is de kans groot dat de bestaande aansluiting te licht is. Dan moet de netbeheerder een zwaardere aansluiting aanleggen, wat een aanvraagtraject is met een eigen doorlooptijd, soms een paar maanden, soms langer als er in het gebied al veel opwekking bijkomt en het net daar krap wordt.
Dit is een van de dingen die je het beste vooraf laat uitrekenen, samen met de vraag waar de omvormer komt, zoals ook toegelicht bij [waar de omvormer komt bij een stal met zonnedak](/dakstroom/stal/omvormer). De omvormer, de meterkast en de netaansluiting horen bij elkaar; als één van de drie te licht is, werkt de rest niet zoals bedacht. Bij nieuwbouw is dit relatief eenvoudig te plannen, omdat de meterkast en de aansluiting nog niet vastliggen. Bij een bestaande stal met een verbouwing van het dak is dit vaak het onderdeel dat het meeste vooronderzoek vraagt, meer dan het dak zelf.
Wat wij hierin doen is meekijken op tekening: hoeveel dakvlak, hoeveel opwekking daar ongeveer uit volgt, en of dat in de buurt komt van wat de bestaande aansluiting aankan. Een exact getal voor het vermogen per vierkante meter geven we niet zonder de tekening te zien, dat verschilt te veel per uitvoering en per dakhelling om in het algemeen te noemen. Wat we wel kunnen doen is vroeg in het traject aangeven of de kans groot is dat de netbeheerder erbij moet, zodat dat traject gelijk kan lopen met de bouw van het dak in plaats van erachteraan te komen.