Klikzink
Een dakvlak leg je in één keer neer. De banen worden op maat gewalst, aan elkaar gefelst en over de volle lengte van goot tot nok gelegd. Dat is geen bezwaar, maar het betekent wel dat je bij het ontwerp al moet weten hoeveel dakvlak je nu vol wilt leggen met cellen en hoeveel je later wilt toevoegen. Achteraf een paar extra banen ertussen schuiven kan niet; de fels laat zich niet openen zonder het dak open te leggen.
Bij een stal is dat vaker een vraag dan bij een woonhuis, omdat een stal nu eenmaal groeit. Een bouwer start met de helft van de kapschuur en zet er over een paar jaar een vleugel bij, of een tweede rij stallen naast de eerste. Wie dat weet voordat het dak erop gaat, kan er in het ontwerp op inrichten. De keuze is dan simpel: je legt nu al het volledige dakvlak vol met banen die cellen hebben, of je legt een deel van het dak met gewone banen zonder cellen, in dezelfde kleur en op dezelfde lijn, en vervangt die banen later door banen met cellen erin.
Stel je een ligboxenstal voor met een zadeldak van veertig meter lang. Boven de ene helft komen dieren en voer, boven de andere helft is voorlopig alleen opslag gepland die er over drie jaar misschien niet meer is omdat er dan een aanbouw komt. In dat geval is het gebruikelijk om nu het opslagdeel te bedekken met gewone felsbanen zonder cellen, en het deel boven de dieren met banen waarin de cellen zitten. Zodra de aanbouw er komt, wordt het dakvlak boven de opslag opnieuw belegd, dit keer met banen die wel cellen hebben. De oude banen gaan eraf, de nieuwe erop; het dakvlak ernaast blijft ongemoeid liggen.
Dat werkt omdat de banen zonder cellen en de banen met cellen in exact dezelfde kleur en profilering worden gewalst. Je ziet op afstand niet welk deel van het dak al stroom maakt en welk deel dat nog moet gaan doen. Wie liever in één keer klaar is, legt meteen het hele dakvlak vol; wie de investering wil spreiden, kiest voor de gefaseerde route. Beide kan, en welke van de twee voor een specifiek gebouw verstandiger is, rekenen wij uit op tekening, want dat hangt af van de dakvorm, de hellingshoek en de plaats van de nok.
Een stal is geen droge kantoorhal. Onder het dakvlak hangt lucht met vocht, stof en vaak ammoniak uit de mestopslag of de ventilatie. Dat raakt niet de bovenkant van de baan, die blijft gewoon buiten liggen, maar het raakt wel de onderkant van de baan en alles wat daaraan bevestigd is: de bekabeling, de connectoren, de doorvoeren naar de ruimte onder het dak. Bij een uitbreiding in twee fasen moet die onderkant net zo goed bestand zijn tegen het stalklimaat als de eerste fase, ook als de tweede fase pas na een paar jaar wordt aangelegd. De onderdelen die met het dak in aanraking komen, zijn dus niet iets waar je bij de tweede fase een goedkopere versie van neemt; het is dezelfde uitvoering, op dezelfde manier aangesloten.
Dat aansluiten is precies waarom een gefaseerde uitbreiding om overleg vraagt voordat de eerste banen worden gelegd. De bekabeling van elk dakvlak moet ergens samenkomen, en hoe dat gebeurt lees je uitgebreider in het stuk over hoe de stroom naar binnen komt bij een stal. Wie van het begin af aan weet dat er een tweede vlak bijkomt, kan de leidingroute en de plek van de aansluitkast daarop inrichten, zodat de tweede fase later aangesloten kan worden zonder dat de eerste installatie ervoor stilgelegd moet worden.
Elk dakvlak met cellen krijgt zijn eigen groep en, afhankelijk van de uitvoering, zijn eigen aansluiting op de omvormer. Een tweede dakvlak dat er later bijkomt, is in de praktijk een tweede string die bij de bestaande installatie wordt aangesloten of een eigen omvormer krijgt, afhankelijk van de afstand tussen de vlakken en het vermogen dat erbij komt. Waar die omvormer het beste komt te hangen bij een uitbreiding in fasen, hangt af van waar de eerste omvormer al zit en hoe ver het nieuwe dakvlak daarvandaan ligt; dat leggen we uit in het stuk over waar de omvormer komt bij een stal. Een aannemer die van meet af aan weet dat er een fase twee komt, kan bij de eerste bouw al een lege leidingdoorvoer aanbrengen, zodat er bij de uitbreiding niet opnieuw door een dichte gevel of vloer geboord moet worden.
Een dakvlak in twee keer beleggen kost meer werk dan het in één keer doen: er komt twee keer een dakdekker op het dak, er wordt twee keer gefelst, en de tweede fase moet precies aansluiten op de banen van de eerste. Dat is een reële kostenpost, en die staat los van de vraag wat de cellen zelf opleveren. Wat een uitbreiding in fasen bij een specifiek gebouw kost tegenover alles in één keer beleggen, verschilt per dakvlak en per planning, en daar kunnen we alleen iets over zeggen als we de tekening van dat gebouw hebben. Wij rekenen dat door zodra we weten hoe het dakvlak nu en over een paar jaar eruit moet zien; een schatting zonder die tekening zou meer verzinsel zijn dan antwoord.
Wat wel vaststaat: de keuze om nu volledig te beleggen of in fasen te werken, moet gemaakt worden voordat de eerste band op het dak ligt, niet erna. Wie overweegt om een stal in fasen te bouwen of uit te breiden, kan dat het beste meteen bij de eerste tekening bespreken, zodat de leidingroute, de plek van de aansluitkast en de keuze tussen banen met en zonder cellen daarop worden afgestemd. Klikzink in Ede denkt daarin mee zonder dat daar kosten aan hangen; met een dakplan van de huidige en de toekomstige situatie is snel te zien welke route voor dat gebouw het handigst is.