Klikzink
Een zadeldak heeft twee vlakken die tegen elkaar op lopen en samenkomen in een nok. Dat is voor de vraag of je later kunt uitbreiden een gunstige vorm, want die twee vlakken zijn van nature al gescheiden. Je hoeft ze niet kunstmatig op te delen zoals bij een enkel vlak dat je in twee stukken schakelt. Ze liggen er al als twee aparte oppervlakken, meestal ook nog in twee verschillende richtingen, en dat maakt de keuze wat je nu belegt met cellen en wat je later doet eenvoudiger dan bij een dak met één hellend vlak.
De meest voorkomende opzet is dat je begint met het vlak dat de beste kant op ligt, zuid als dat kan, of anders het vlak dat toch al de meeste zon vangt. Dat vlak leg je in één keer vol met banen die cellen hebben. Het andere vlak leg je in gewone felsbanen zonder cellen, dezelfde kleur, dezelfde bevestiging, dezelfde fels, zodat het dak als geheel niet verraadt dat er straks nog iets bij komt. Wil je later dat tweede vlak ook laten opwekken, dan vervang je die banen door versies met cellen. De ondergrond, de daktimmering, de doorvoerpunten, die liggen er al. Je vervangt de bovenlaag van het ene vlak, je raakt het andere vlak niet aan.
Bij een zadeldak zit het knooppunt van de bekabeling logisch bij de nok. Beide vlakken komen daar samen, en dat is meteen de plek waar je de kabels van elk vlak naar binnen kunt laten lopen zonder dat je over het dakvlak zelf moet routeren. In de praktijk betekent dat een doorvoer bij de nokconstructie, met voor elk vlak een eigen aansluiting die apart geschakeld kan worden. Dat apart schakelen is het punt waar de latere uitbreiding om draait. Elk vlak is een eigen groep, met een eigen kabel naar de omvormer of naar een aparte optimizer. Voeg je het tweede vlak later toe, dan sluit je een nieuwe groep aan op een bestaand systeem, in plaats van dat je een lopende installatie moet openbreken om er iets tussen te schuiven.
Een aannemer die op deze manier bouwt, weet dat bij de oplevering al: hij trekt bij het dichten van de nok een lege leiding mee voor het tweede vlak, ook als daar dan nog geen cellen in liggen. Dat is een kleine toevoeging tijdens de bouw en een grote besparing op het moment dat je jaren later besluit dat tweede vlak ook te benutten, want dan hoef je niet meer terug het dak op om een nieuwe doorvoer te maken.
De vraag of uitbreiden op een zadeldak makkelijk is, hangt sterk af van welke kant de twee vlakken op liggen. Bij een zadeldak op oost-west georiënteerde nok liggen de vlakken op zuid en noord, of bij een noord-zuid nok op oost en west. Bij zuid en noord is de keuze duidelijk: je begint op zuid, en het noordvlak is vooral een reserve voor later, met weinig opbrengst als je het ooit vult. Bij oost en west lopen de twee vlakken qua opbrengst dichter bij elkaar, en dan is het minder vanzelfsprekend welk vlak je eerst voorziet van cellen. In dat geval kan het verstandiger zijn om meteen op beide vlakken een deel van de banen met cellen te leggen, in plaats van het ene vlak volledig te doen en het andere volledig te laten wachten.
Er is ook een situatie waarin de vorm van het zadeldak de uitbreiding juist lastiger maakt dan bij een enkel hellend vlak: als de twee vlakken erg klein zijn, bijvoorbeeld bij een smalle kap met een korte nok. Dan is er weinig ruimte om een vlak in fasen te vullen, en ligt het voor de hand om in één keer te bepalen hoeveel van het dak cellen krijgt. Uitbreiden in fasen loont vooral als een vlak groot genoeg is om er zinvol een tweede tranche banen in te schakelen. Is het vlak klein, dan is de knip tussen nu en later minder een technische kwestie en meer een rekenkwestie: hoeveel van dat beperkte oppervlak wil je meteen benutten.
Op een enkel hellend vlak, zoals bij een lessenaarsdak, moet je de knip tussen nu en later zelf aanbrengen in een doorlopend oppervlak: een blok banen met cellen, een blok zonder, met een denkbeeldige grens die je vooraf vastlegt. Bij een zadeldak ligt die grens er al, in de vorm van de nok. Dat is prettig voor de planning, want je hoeft niet te discussiëren over waar precies de knip in het vlak komt. Het is ook prettig voor het aanzicht: twee vlakken die allebei uit één stuk banen bestaan, in plaats van een enkel vlak dat halverwege van uitstraling verandert.
Het scheelt ook in de bekabeling. Bij één vlak met twee tranches loop je vaak met kabels van het ene deel langs of over het andere deel naar de doorvoer. Bij twee vlakken met een nok ertussen heeft ieder vlak zijn eigen, kortste weg naar dat middelpunt. Dat is een reden waarom aannemers een zadeldak vaak als prettiger startpunt zien voor een dak dat in fasen wordt voorzien van opwekking dan een enkel hellend vlak van gelijke oppervlakte.
De ligging van de nok maakt de latere uitbreiding eenvoudiger te plannen, maar hij verandert niets aan de opbrengst van het vlak dat je toevoegt. Een noordvlak blijft een noordvlak, met of zonder handige doorvoer bij de nok. En de knoop die je vooraf moet doorhakken, hoeveel banen met cellen je nu legt en hoeveel je voor later bewaart, blijft een afweging die per dak verschilt. Hoe groot de vlakken zijn, wat de helling is, wat de oriëntatie van de nok is, dat bepaalt samen wat een verstandige eerste fase is. Wij rekenen dat uit op tekening, per dakvlak, zonder daar vooraf een getal over opbrengst of terugverdientijd aan te hangen dat voor jouw dak niet klopt.
Ook geldt, net als bij ieder ander dak, dat deze felsbaan zijn meerwaarde vooral toont als het dak toch vervangen wordt of als het om nieuwbouw gaat. Je betaalt dan voor dak en opwekking in één laag staal, in plaats van voor een dak plus een systeem van beugels en panelen daarboven. Ligt er al een goed, jong dak en wil je alleen opwekking toevoegen, dan is een gewoon paneel op beugels vaak de logischere stap, ook op een zadeldak. De keuze voor deze felsbaan hoort bij het moment dat je de dakbedekking zelf vervangt, niet bij een dak dat er al goed bij ligt.
Dus concreet: bij een zadeldak met twee vlakken en een nok kun je met een gerust hart beginnen op één vlak en het andere vlak later aansluiten. Leg de doorvoer en de bekabeling zo aan dat beide vlakken vanaf het begin apart geschakeld zijn, ook als het tweede vlak nog in gewone banen zonder cellen ligt. Dat is de simpele voorbereiding die van uitbreiden later een kwestie van banen vervangen maakt, in plaats van een dak dat je opnieuw moet openbreken.