Klikzink
Een gebogen dak is geen vlak dak met een andere naam. Bij een zadeldak of een schilddak ligt elke baan onder dezelfde hoek naar de zon; bij een gebogen dak, zoals een tongewelf of een gebogen loods, verandert die hoek over de lengte van de baan zelf. Onderaan de kromming staat de baan bijna vlak, boven in de bocht staat hij veel steiler. De cellen in die ene baan wekken dus niet allemaal evenveel op, ook al liggen ze naast elkaar op hetzelfde stuk staal.
Dat is geen reden om van gebogen daken af te zien, maar het is wel de reden waarom je bij dit soort daken anders moet plannen dan bij een plat vlak. Bij een zadeldak kun je één helling vol leggen en later de andere helling erbij nemen, zoals wij uitleggen bij [de aansluiting op de nok](/dakstroom/uitbreiden/zadeldak). Bij een gekromd vlak ligt de knip niet bij de nok, maar bij de straal: je legt het middendeel van de boog, waar de meeste banen dicht bij de optimale hoek liggen, en je laat de randen van de boog voorlopig leeg of vul je met banen zonder cellen.
Stel een gebogen dak op een sporthal, met een straal van enkele tientallen meters. In het midden van de boog staat het dakvlak onder een hoek die goed werkt voor opwekking. Naar de randen toe loopt de hoek snel terug tot bijna vlak, en aan de andere kant van de top loopt hij door tot bijna verticaal. Een baan die van rand tot rand over die hele boog loopt, bevat dus cellen die op elk moment van de dag een ander deel van hun eigen oppervlak in de zon hebben.
De oplossing die wij daarvoor toepassen is de baan niet in één stuk vol te leggen, maar het dakvlak in zones te verdelen. Het middendeel, waar de kromming het minst uitmaakt, krijgt de banen met cellen. De zones dichter bij de rand, waar de hoek te ongunstig wordt om nog zinvol op te wekken, krijgen gewone felsbanen zonder cellen. Die banen zijn qua profiel, kleur en fels identiek aan de banen met cellen ernaast, dus het dakvlak blijft er als één geheel uitzien. Wil je later toch verder, dan vervang je een deel van die lege banen door banen met cellen, op dezelfde manier zoals wij dat beschrijven bij [uitbreiden op een flauwe helling](/dakstroom/uitbreiden/flauwe-helling), waar een vergelijkbare afweging speelt tussen wat de helling nog oplevert en wat het simpelweg een dak laat blijven.
Er is geen vaste grens waarboven een gebogen dak niet meer geschikt is; het hangt af van de straal van de boog en van de breedte van de banen die je erover legt. Bij een flauwe, wijde boog, met een grote straal, verandert de hoek over de lengte van één baan zo weinig dat het verschil in de praktijk nauwelijks meetelt. Bij een krappe boog, met een kleine straal, kan het verschil tussen het begin en het einde van dezelfde baan groot genoeg zijn om een deel van die baan feitelijk nutteloos te maken.
Bij een felsbaan van 475 mm werkende breedte gaat het niet om hoe krom het hele dak is, maar om hoeveel de hoek verandert binnen die 475 mm en binnen de lengte van de baan die je legt. Een kort stuk dakvlak op een scherpe boog geeft weinig verandering per baan; een lange baan die over een groot deel van een krappe boog doorloopt, geeft veel. Dat is precies waarom we dit per dakvlak op tekening narekenen in plaats van er een algemene regel voor te geven: de straal, de lengte van de banen en de ligging ten opzichte van de zon bepalen samen of het loont om het hele gebogen vlak te beleggen of alleen het middendeel.
Bij een gewoon schuin dak is de vraag over uitbreiden vaak eenvoudig: je legt een deel nu en een deel later, en de opbrengst per baan blijft ongeveer gelijk waar je ook uitbreidt. Bij een sterk gebogen dak draait die logica om. Uitbreiden op de plek waar nu nog geen cellen liggen, kan betekenen dat je precies het deel van de boog volbelegt dat het minst opwekt, terwijl het gunstigste deel al vol ligt. Dan is de vraag niet meer of je kunt uitbreiden, maar of de plek waar nog ruimte is, de moeite waard is om te vullen.
Er zijn ook gebogen daken waarbij de kromming zo flauw is dat dit verhaal nauwelijks opgaat, zoals bij een licht gewelfd dak op een loods dat van bovenaf bijna plat lijkt. Daar gedraagt het vlak zich in de praktijk als een gewone flauwe helling, en gelden dezelfde overwegingen als op een vlak dak. Andersom kan een dak dat er licht gebogen uitziet, bij een korte straal toch een sterke verandering in hoek geven over een korte afstand, met name bij ronde koepelvormen of scherp gebogen overkappingen. Daarom kijken we altijd naar de tekening van het specifieke dak en niet naar hoe gebogen het dak eruitziet vanaf de grond.
Voor de bekabeling en de bevestiging verandert een gebogen dak weinig ten opzichte van een vlak dak: de klemmen onder de fels houden de baan vast zonder dat er een gat door het staal moet, en de leidingen lopen net als bij een recht dakvlak onder de banen naar binnen. Wat verandert, is alleen waar op het vlak het de moeite waard is om cellen te leggen en waar niet. Wil je weten hoe die keus uitpakt tegenover een paneel dat los op beugels boven het gebogen vlak wordt gemonteerd, dan is dat een andere vergelijking dan bij een vlak dak, want een paneel op beugels kan wel vlak liggen boven een gebogen ondergrond, zoals we toelichten bij [uitbreiden tegenover panelen op beugels](/dakstroom/uitbreiden/tegenover-panelen-op-beugels); dat is precies het soort verschil dat we op tekening voor je uitrekenen voordat er één plaat gewalst wordt.