Klikzink
Een dakvlak leg je in één keer, en de vraag die daarbij hoort is wat je doet als je later meer opwekking wilt. Bij een schuin dak met een noordvlak komt die vraag in een andere vorm terug dan bij zuid, oost of west, want hier is het niet alleen een kwestie van ruimte of aansluiting. Het is een kwestie van of het die moeite waard is.
Een noordvlak vangt het hele jaar door minder zon dan de andere kanten van het dak. Dat is geen kwestie van net iets minder, het is een structureel verschil. Waar een zuidvlak op een heldere dag vol in de zon ligt en oost en west een groot deel van de ochtend of middag meepikken, krijgt een noordvlak vrijwel alleen diffuus licht: het licht dat van de lucht komt, niet van de zon direct. Op sommige breedtegraden en bij een flauwe hoek is er nog een klein beetje directe instraling in de zomer, maar voor de meeste noorddaken in Nederland is dat te verwaarlozen.
Hier wringt de vraag. Bij zuid, oost of west is het antwoord op of je later kunt uitbreiden vaak simpel: leg nu de banen met cellen waar je ze nodig hebt, en laat de rest van het vlak liggen met gewone banen die je zonder sloopwerk kunt vervangen zodra je wilt uitbreiden. Op het noorden is die redenering minder vanzelfsprekend, want de vraag is niet alleen of het kan, maar of het zin heeft om dat vlak ooit met cellen uit te voeren.
Een baan zonder cellen ziet er precies hetzelfde uit als een baan met cellen erin: dezelfde matte donkere kleur, dezelfde lijn, dezelfde fels. Op het dakvlak zelf is dus geen verschil te zien tussen een dak dat wacht op uitbreiding en een dak dat dat niet doet. Dat is prettig voor de architectonische rust, maar het betekent ook dat er geen enkele visuele reden is om een noordvlak met cellen te leggen als de opbrengst toch laag blijft. Op zuid of west leg je soms cellen op een vlak puur omdat het vlak zichtbaar is en je het aanzicht wilt laten kloppen; op noord speelt dat argument niet, want niemand ziet het verschil.
Een voorbeeld uit de praktijk: een woonhuis met een zadeldak waarvan het zuidvlak vol ligt met felsbanen met cellen, en het noordvlak met gewone banen. Bij de bouw is er bewust voor gekozen om op het noorden niets te installeren, simpelweg omdat de verwachte opbrengst van dat vlak de extra kosten niet rechtvaardigde. Jaren later, als de eigenaar meer stroom wil, is de vraag niet of het noordvlak dan alsnog cellen krijgt. De vraag is eerder of er een dakkapel bij komt, of er een uitbouw op het noorden komt die het vlak verandert, of of de vervangingscyclus van het dak samenvalt met een moment waarop uitbreiden logisch is. De ligging zelf verandert niet, en dus verandert ook de afweging niet vanzelf mee.
Er zijn situaties waarin een noordvlak toch de moeite waard wordt. Op een plat dak of een dak met een zeer flauwe helling speelt de richting een kleinere rol, omdat het licht dan van alle kanten binnenkomt en de oriëntatie minder verschil maakt. Bij een steil noordvlak op een fors dak, waar de oppervlakte zo groot is dat zelfs een lage opbrengst per vierkante meter in totaal nog iets oplevert, kan de rekensom ook anders uitvallen. En bij een gebouw waar het noordvlak het enige beschikbare dakvlak is, bijvoorbeeld door bebouwing ernaast of door de vorm van het perceel, is de vergelijking niet meer noord tegenover zuid, maar noord tegenover niets.
Ook de functie van het gebouw speelt een rol. Bij een schuur of bedrijfshal waar het dak toch vervangen wordt, en waar de eigenaar liever in één keer een compleet dakvlak met cellen legt dan een dakvlak dat half wacht op een beslissing, kan het simpeler zijn om ook het noordvlak mee te nemen. Niet omdat het veel oplevert, maar omdat het onderhoud van één type dakbedekking overzichtelijker is dan een dak dat uit twee verschillende beslissingen bestaat.
Als het noordvlak nu met gewone felsbanen ligt en je wilt op een later moment alsnog cellen toevoegen, dan is dat een kwestie van banen vervangen op de plek waar je wilt uitbreiden. De blinde bevestiging onder de fels, zonder schroeven of beugels door het dakvlak, maakt dat een baan losgenomen en vervangen kan worden zonder dat de rest van het dak daarvoor open moet. De bekabeling die naar binnen gaat, moet dan wel meegroeien: als er bij de eerste aanleg al een leidingtracé is meegenomen voor eventuele uitbreiding, is het achteraf toevoegen van cellen op het noorden een stuk eenvoudiger dan wanneer dat tracé er niet is. Dat is dus iets om op tekening te bespreken, ook als de eerste uitvoering van het noordvlak zonder cellen blijft.
De eerlijke vraag blijft dan of die uitbreiding de moeite waard is. Bij zuid, oost en west is uitbreiden vaak een kwestie van meer opwekking toevoegen omdat de vraag naar stroom groeit. Bij noord is de opbrengst per baan zo laag dat de meerkosten van cellen ten opzichte van een gewone baan zich niet snel terugverdienen, en dat blijft ook zo als je later uitbreidt. Er verandert dan niets aan de fysica van het licht dat op dat vlak valt, alleen aan het moment waarop je de knoop doorhakt.
Voor een noordvlak is de vraag over uitbreiden dus vooral een vraag over of je nu al met cellen begint of dat je wacht. Wachten kost niets aan aanzicht, want een baan zonder cellen oogt hetzelfde. Wachten kost wel iets aan gemak later, tenzij je nu al een leidingtracé meeneemt voor het geval de situatie verandert: een uitbouw, een grotere stroomvraag, of een dakvlak dat om andere redenen toch vervangen wordt.
Wij rekenen dit per dakvlak en per uitvoering door op tekening, met de oriëntatie van elk vlak als uitgangspunt. Dat geldt voor het zuidvlak dat nu al vol cellen krijgt, en voor het noordvlak waarvan je liever eerst weet of het de moeite waard is voordat je het meeneemt.