Klikzink
De meterkast van een gewoon woonhuis is gebouwd op verbruik, niet op opwekking. Er zit een aansluiting, een meter, een aardlekschakelaar en een paar groepen voor de vaste installatie. Als het dak zelf stroom gaat leveren, komt daar een omvormer en een eigen groep bij, met bekabeling die vanuit het dakvlak naar binnen komt en in de meterkast wordt afgemonteerd. Dat is bij een felsdak met geïntegreerde cellen niet anders dan bij opgelegde panelen; het verschil zit in wat er op het dak gebeurt, niet in wat er in de kast gebeurt. Hoe die bekabeling het dak binnenkomt, staat beschreven bij [hoe de stroom naar binnen komt bij een woonhuis](/dakstroom/woonhuis/stroom-naar-binnen); hier gaat het over wat er ná die doorvoer, in de meterkast zelf, moet gebeuren.
De eerste vraag is altijd of de bestaande aansluiting en de bestaande groepenkast het aankunnen. Bij een doorsnee rijtjeshuis met een enkelfase aansluiting van eenentwintig of vijfendertig ampère is meestal ruimte voor een omvormer van het formaat dat bij een gemiddeld dakvlak past. De installateur meet dit uit aan de hand van het vermogen van de omvormer en het aantal vrije groepen in de kast. Is de kast vol, dan is de oplossing vaak simpel: een groepenkast met wat meer ruimte, of een aparte aardlekautomaat die specifiek voor de opwekking wordt bijgeplaatst. Dat is geen ingrijpende verbouwing, maar het moet wel worden bekeken voordat het dak wordt gelegd, niet erna.
Er zijn woningen waar de bestaande aansluiting te weinig lucht heeft. Dat speelt vooral wanneer er in het huis al veel elektrisch gebeurt: een warmtepomp, een elektrische kookplaat, een laadpunt voor de auto op de oprit. Al die apparaten trekken vermogen uit dezelfde aansluiting waar straks ook de opgewekte stroom doorheen moet, in de andere richting. Bij zo'n woning kan de netbeheerder een zwaardere aansluiting adviseren, van eenentwintig naar vijfendertig ampère, of van enkelfase naar driefase. Dat is een aanvraag bij de netbeheerder, geen aanpassing die Klikzink zelf regelt, maar het is wel iets waar bij de planning van het dak rekening mee gehouden moet worden. Een aannemer die het dak en de elektra in één traject aanbesteedt, kan deze vraag vroeg neerleggen bij de netbeheerder, zodat de doorlooptijd van die aanvraag niet achteraf voor vertraging zorgt.
Wat er in de praktijk verschilt tussen dit dak en losse panelen, zit niet in de meterkast maar in wat er in het dakvlak gebeurt voordat de stroom daar aankomt. Bij panelen op beugels loopt de bekabeling over het dakvlak naar een verzamelpunt en vandaar door het dak naar binnen, meestal via één doorvoer. Bij een felsdak met cellen in het vlak zelf ligt de bekabeling in de banen die de cellen bevatten, en komt die vanuit de fels naar binnen op een manier die is afgestemd op de blinde bevestiging van de baan. Voor de meterkast maakt dat niets uit: er komt een kabel binnen die naar de omvormer en vandaar naar de groep gaat. Voor de aannemer maakt het wel iets uit, omdat de doorvoerpunten al vastliggen in het legplan van het dak, en dus vroeg in het bouwproces moeten worden afgesproken met de elektrotechnisch installateur.
Bij een gewoon woonhuis ligt het verbruik meestal niet gelijk met de opwekking. Er wordt vooral 's ochtends en 's avonds stroom gebruikt, wanneer er gedoucht, gekookt en verlicht wordt, terwijl het dak midden op de dag het meeste levert. Dat verschil bepaalt wat er met de opgewekte stroom gebeurt en waarom de meterkast meer doet dan alleen een kabel doorgeven. De omvormer meet continu wat het dak levert en wat het huis op dat moment vraagt. Is het aanbod groter dan de vraag in huis, dan gaat het overschot via de meter het net op; is de vraag groter, dan wordt het tekort uit het net gehaald. De meter in de kast registreert die twee richtingen apart, en dat is precies waarom een goed werkende slimme meter nodig is voordat het dak wordt aangesloten. Een oudere analoge meter kan dat niet en moet eerst vervangen worden door de netbeheerder.
Voor een huishouden waar overdag niemand thuis is, betekent dit dat een flink deel van de opwekking het net op gaat in plaats van direct in de woonkamer verbruikt te worden. Wie overweegt om daar iets aan te doen, met een batterij of door verbruik te verschuiven naar het middaguur, kan dat los van het dak zelf regelen; het dak levert de stroom, de meterkast en de eventuele batterij bepalen wat er verder mee gebeurt. Dat is een keuze die per woning verschilt en die wij niet voor de klant invullen, maar die wel meespeelt bij het bepalen van de omvormer die in de kast past.
Waar de omvormer zelf komt te hangen, binnen of net buiten de meterkast, en wat daarbij komt kijken aan ruimte en ventilatie, staat uitgewerkt bij [waar de omvormer komt bij een woonhuis](/dakstroom/woonhuis/omvormer). Voor dit onderdeel is het genoeg om te weten dat de meterkast het punt is waar opwekking en verbruik elkaar ontmoeten, en dat de bestaande aansluiting daar de eerste beperking oplegt.
Voor een aannemer of architect die een woonhuis met dit soort dak plant, is de praktische volgorde dus: eerst kijken wat de bestaande aansluiting en groepenkast toelaten, dan pas het legplan van het dak en de bekabeling daarop afstemmen. Bij een gemiddeld dakvlak op een gewoon huis is dat meestal geen probleem. Bij een huis met veel elektrisch verbruik naast de opwekking loont het om die vraag vroeg bij de netbeheerder neer te leggen. Wat er precies nodig is aan groepen, zekeringen en eventueel een zwaardere aansluiting, verschilt per woning en per dakvlak; dat rekenen wij uit op tekening, samen met de installateur die de meterkast aanpast.